1121 kilometer, 10 landen, 1 tank

De auto komt tot stilstand waar Oostenrijk ophoudt en Liechtenstein begint. Een heerschap in uniform haalt ons van de weg.

Een Jaguar wil van nature vooruit, maar als er gestopt moet worden, doet de nieuwe XF 2.2D dat in stijl: de gedempte grom van de motor maakt plaats voor volmaakte stilte. Ik vrees dat ik die stilte straks moet doorbreken om aan de nieuwsgierige man, die me aanstaart vanuit het douanekantoor, tekst en uitleg te geven: Het is niet uit schuldgevoel dat ik mijn mond houdt. Ik heb de motor evenmin het zwijgen opgelegd om smokkelwaar aan te geven of op te biechten dat zijn land in mijn fantasie een bolwerk is waar spionnen en financiers thrillers opvoeren.

Nee, ik zal hem de schoonheid van deze stilte uitleggen. Deze vredige rust wordt gecreëerd door een motor die met liefde is aangepast om elke druppel brandstof te besparen. Het is daarom een stilte die naadloos past bij de aard van mijn reis. Maar goed, ik hoef niets uit te leggen. De vernieuwde gedaante van de auto zegt genoeg. De grenswacht velt zijn oordeel met strenge blik en steekt zijn hand op om ons binnen te laten in zijn door twee staten ingesloten landje.

Als het rempedaal opkomt, zijn de vertrouwde tonen van de motor weer terug; alsof ik me de stilte had ingebeeld. We trekken soepel op en ik zie in de achteruitkijkspiegel dat de auto achter me wordt aangehouden voor inspectie. Dan bekijk ik de kilometerstand en glimlach. Totdat ik de weg naar Zwitserland voor me zie, inclusief afsluiting en … een omleidingsbord. De moed zinkt me in de schoenen. Tijdens deze rit telt tenslotte elke kilometer. Ik check opnieuw de boordcomputer: er is nog voor 134 kilometer diesel over van de tankbeurt 950 kilometer terug in Dover. Op zichzelf een prima prestatie, ware het niet dat ik de auto op één tank naar Italië moet rijden. Even doemt het schrikbeeld in me op dat ik eenzaam achterblijf bij de berggeiten in de Zwitserse Alpen.

  • DEEL I

    Een dag eerder, op het dek van de veerboot, uitkijkend op de witte krijtrotsen van Dover, mijmerde ik over het banale karakter van deze exercitie: de prestaties van een Jaguar uitdrukken in ‘één op zoveel’. Zoiets zouden ze eens moeten uitrekenen voor die vier slurpende scheepsmotoren die ons wegdreunen van de Engelse kust. Dat zou wel even een ander beeld geven dan de verbruikscijfers van de benedendeks geparkeerde vierwieler, met de zuinigste motor die Jaguar ooit heeft gebouwd. Om het minder banaal te maken, zou ik het aantal tankstations kunnen tellen dat ik onderweg oversloeg. Maar dat zou al snel saai worden. In plaats daarvan wilde ik de verschillende landschappen tellen die ik zou tegenkomen; de uiteenlopende architectonische stijlen, de talloze fraaie boerderijen die het platteland markeren, de bergen gehuld in nevel en de kloosters op in de verte gelegen plateaus.

    Terwijl de auto en ik in Duinkerken van de veerboot afreden, om vervolgens de E40 richting België te kiezen, namen ze thuis in de Jaguar-fabriek ‘Job One’ van het 2012-model van de XF in productie voor een Chinese klant. Als ik zou willen, had ik naar China kunnen racen, over de E40, de langste route in Europa. Dus stuurde ik de auto richting Kazachstan en begon aan de rit.

    Landschappen in je opnemen vergt enige oefening als je rijdt door een vlakke, saaie omgeving met alleen wat jonge boompjes en oneindig groen grasland. Deze auto zal zeker scoren bij zakelijke rijders die zich van A naar B spoeden, maar het is tegelijkertijd een eersteklas auto die hen de kunst van het reizen laat herontdekken. Je leert weer van een landschap te genieten en in het moment te leven. Hij helpt je duidelijk op een rij te zetten wat je onderweg wilt ervaren: bekijks van mooie vrouwen als je voorbijsnelt (voor jou of voor de auto)? Helaas, vandaag koester ik mijn brandstof en halen we alleen vrachtwagenchauffeurs in. Dus begin ik de kilometers te tellen aan de hand van de vele torens die de Belgische polders kenmerken. België heeft een overdaad aan torens: wachttorens uit oorlogstijd, door de tijd getekende romaanse kerken en bijzondere belforten - door UNESCO tot Werelderfgoed uitgeroepen. De auto is comfortabel gezelschap. Voortreffelijk in zijn soort. Puur genieten, enkel van het rijden over de weg. De weg die ons beweegt.

    Natuurlijk wist ik dat ik deze auto aan het besturen was, maar het was opmerkelijk hoe snel ik me kon overgeven aan het landschap, dat als een snel wisselend decor van kaarsrechte populieren, strakke maïsveldenen plompe boerderijen aan me voorbij trok. Rijdend door het stadje Jabbeke kon ik de drang om het gaspedaal verder in te drukken maar net weerstaan. Hier ijkte immers ooit de Royal Automobile Club de Belgique de topsnelheid van de voertuigen die ’s werelds autofabrikanten fabriceerden. Wat een teleurstelling om daaraan geen eer te kunnen betonen, zeker in een auto met een topsnelheid van 225 km/u. Maar goed. We verlaten de E40 bij Brussel en volgen de weg richting de groenkoperen koepel van de Nationale Basiliek van het Heilig Hart op de Koekelberg. De boordcomputer bevestigt dat we gemiddeld 19 km per liter (5,2 l/ 100 km) hebben verbruikt. Italië, here we come.

  • DEEL II

    Als je goed kijkt, is het onvoorstelbaar hoe eigenaardige dingen het uitzicht vanaf de weg bepalen: mysterieuze kleine grijze dozen en vuilwitte cilinders omarmd door leidingen en kabels die vaak alleen maar aangenaam zijn door hun complexiteit. Op de saaiste wegen kunnen we ons verliezen in een fascinatie voor industrieel ontwerp, voor wegverlichting en straatmeubilair. We leven in een wereld die zo homogeen is dat zuilen die anders zijn dan de onze — rood en wit als vuurtorens — een lust voor het oog blijken, net als de details van Brusselse straatlantaarns. Brussel was de eerste stad ter wereld die gaslampen in straatverlichting gebruikte en vandaag de dag is er zelfs een straatverlichtingsmuseum dat meer dan honderd jaar design tentoonstelt. Het is onmogelijk om geen parallellen te trekken met de nieuwe XF, die de homogeniteit van andere auto’s mijdt. Details tellen mee bij Jaguar, en daarom is dit de grootste tussentijdse modelvernieuwing in de geschiedenis van het merk. Alles vóór de powervents is nieuw: motorkap, lampen en grille. Net als de bumpers, achterlichten, stoelen, een nieuwe sierlijst op het kofferdeksel, het entertainmenten navigatiesysteem, touch screen, en natuurlijk de nieuwe motor met een achttrapsautomaat en Intelligent Stop/Start systeem, die beide cruciaal zijn voor het zeer lage brandstofverbruik.

    Voorbij Brussel, in de stralende zon, jaagt de auto achter de donkere wolken aan die plassen op de weg hebben achtergelaten. De route doorkruist oude boerenkarrensporen, kanalen en rivieren rond de haven van Luik. Voorbij het industriële hart van de Maasvallei passeert de auto de schoorstenen van Verviers, waar de huizen lijken te groeien uit de heuvels van het voormalige jachtgebied van de Belgische koningen. Op een kleine rotonde heet het navigatiesysteem ons welkom in Luxemburg. De onderkoeldheid in haar stem wekt de suggestie dat ze hier veel vaker is geweest, alsof ze in het bezit is van het collectieve geheugen van alle Jaguars die deze auto voorgingen. Het is onmogelijk het stempel dat de geschiedenis heeft gedrukt op het oude Ardennenlandschap te negeren. Er staan koeien in de velden en Umlauts op de plaatsnamen. Een reeks tunnels neemt ons mee onder het platteland door, onder het Grünewald, over de Alzette die de stad Luxemburg doorklieft.

    Het is intrigerend hoe de XF nooit misplaatst lijkt in de verschillende landschappen en rijomstandigheden van deze reis, maar hij lijkt vooral thuis te midden van de elegante en theatrale vormen van het Kirchbergplateau, waar het Europese Hof en Parlement zetelen in gebouwen die zijn ontworpen door de meest gevierde architecten ter wereld. We rijden langs twee gouden torens die als reusachtige Dupont-aanstekers op het punt staan vlam te vatten in de late middagzon.

    Als je maar lang genoeg rijdt, reis je uiteindelijk een tijdje in jezelf, omgeven door een cocon van luxe, in een auto die intelligent reageert op je rijstijl. Je ziet de naald van de snelheidsmeter vloeiend bewegen, je handen glijden over het stuur en je probeert – tevergeefs - het geluid van de automatische transmissie te vangen. Ik dagdroom. Ik heb de laatste tank diesel op aarde en ik moet alles uit elke druppel halen om de beschaving te redden.

    Terug in het hier en nu koester ik de vluchtige blikken op vergezichten in de vallei. In Duitsland is de Autobahn afgeschermd van de rustige dorpjes en boerderijen, en even vraag ik me af waarom ze die prachtige natuur voor ons verbergen. Maar dan realiseer ik me dat ze ons verbergen van het platteland en ik ben beledigd: sommige auto’s voegen iets toe aan het uitzicht.

    Terwijl de kilometers optellen, offer ik af en toe wat brandstof op aan snelheid. Dit is immers meer een road trip dan een labtest. Ik weet dat deze auto 1.250 km op een tank rijdt, dat is ruimschoots aangetoond door betere chauffeurs dan ik, tijdens de preproductietests. Trouwens, ik meet prestaties niet af in kilometers. (Of zijn dat alleen maar uitvluchten en wil ik af en toe gewoon flink het gas indrukken?)

    Duitsland snelt voorbij in een reeks indrukken: kale rotswanden, rood zandstenen rotsen en dito gebouwen. De uitlopers afgevlakt en gelardeerd door bomen. Sprookjesachtige heuvels, dicht en donkergroen, als broedende buitenaardse levensvormen.

    Ik ben bij de Moezel, mijn blik wordt getrokken door het lijnenspel van de wijngaarden. Ik observeer hoe de zon de mist uit heuveltoppen brandt. Een bruin toeristenbord met foto’s van Romeins aardewerk passerend, krijg ik medelijden met de legioenen die 2.000 jaar geleden stammen bevochten die zich in deze valleien en bossen verschansten. Niet veel later ben ik alweer vele kilometers dichter bij Italië terwijl ik de Rijn oversteek, Baden-Wurttemberg in. In toenemende mate bepalen rivieren en bergen hier de grenzen. Duitse landbouwgrond, net zo keurig geordend als parterretuinen op Engelse landgoederen, maken uiteindelijk plaats voor de majestueuze bergen. Oostenrijk komt in beeld en is al snel overal om ons heen. De hoge daken van de Gasthöfe vormen een reflectie van de bergtoppen in het Alpenlandschap. Raakte ik uren geleden de tel kwijt bij de torens, nu gebeurt hetzelfde met bergtoppen.

  • DEEL III

    Alle toppen die de aandacht trekken zijn veranderd van kunstmatige in natuurlijke, van bewerkte stenen tot ruige rotsen. Maar het door mensenhand gemaakte blijft in het spel: tunnels door de Dolomieten, bruggen die kloven overspannen en kastelen die zich aan rotsen vastklampen boven een weg die als een slang hoog door de Alpen slingert. Onze nieuwe Jaguar in Rhodium Silver ontsnapt aan de omleiding door de straten van Liechtenstein met genoeg brandstof om Zwitserland te halen. Binnen het uur wordt het een race tegen de rivier aan de ene en een trein aan de andere kant, op weg naar iets waar iedereen vandaan lijkt te vluchten. Ik daal af naar Davos, opvallend verfrist door de reis en allerminst vermoeid in deze luxueuze auto.

    Tegen zonsopgang kruisen we de Flüelapas, een van de hoogste wegen door de Zwitserse Alpen. De zuivere ochtendzon verlicht de auto en het turkooizen water van de Engadinvallei onder ons. Eindeloze doorkijkjes ontstaan als rotsen en aardlagen om ons heen lijken te verschuiven. Bewegende wolken en mist maken nieuwe composities en het veranderende licht nieuwe vormen. Perspectief wordt gemangeld door massieve grootschaligheid.

    De auto suist door haarspeldbochten, die uit oneindige rotsen zijn gehouwen. Het is de perfecte afsluiting van de reis. Niet alleen het landschap en de rijervaring bereiken hun hoogtepunt. Dat geldt ook voor de technische verworvenheden die door mensenhanden zijn gerealiseerd. Mensen bouwden een weg door deze wereld waar de natuur domineert. En mensen maakten een auto die dat landschap krachtig onder zijn wielen doortrekt op slechts één tank brandstof.

    Alle twijfel of we onze missie zullen volbrengen verdwijnt zodra de auto Zernez in zoeft, acht kilometer van de Italiaanse grens. Al snel passeren we de onregelmatige kantelen van een stenen wachttoren. We volgen de spoorlijn. Een van de beroemde rode Zwitserse treinen dendert voort over het smalspoor voordat hij in een gat in de bergwand verdwijnt. Heel even zijn we de laatste wagon aan een perfect treinstel. De Ofenpas slingert links van ons door de bergen, maar we slaan rechtsaf de eenrichtingstunnel Munt La Schera in. Door het stroboscopisch effect van de tunnelverlichting zijn de laatste kilometers naar Italië als een sprong in hyperspace en de auto lijkt een visioen van de toekomst: de assertieve nieuwe motorkap boort zich een weg door de berg, terwijl de slanke nieuwe koplampen hun licht werpen op de schaduwen. De teller bereikt 1.100 kilometer als we de tunnel uit komen, en rechtdoor de grote oprit van de Punt dal Galldam, boven het meer van Livigno, oprijden. Bij de tolpoorten op de dam vraag ik of we al in Italië zijn, maar de vrouw schudt haar hoofd en wijst op een gebouw een paar meter verderop. “Dat is Italië”, zegt ze, en ik manoeuvreer de auto rustig langs een eenvoudig kruisbeeld langs de weg. We hebben het gered. We parkeren langs het meer, waar enkel het geluid van een bergbeek is te horen. Vanuit de richting die we achter ons hebben gelaten stijgt mist op. Het begint te regenen in de bergen en van hier stroomt het water niet naar de Middellandse, maar richting de Zwarte Zee. Heel Europa tot aan het Kanaal lijkt verbonden door deze auto, die zilver oplicht dankzij het heldere regenwater dat zachtjes neerdaalt op het oude dorp Livigno. We rijden naar beneden, het dorp binnen dat nog steeds de Middeleeuwse fiscale voordelen geniet die van heinde en verre Italianen hierheen lokt om belastingvrij brandstof te kopen. We zijn gearriveerd op de perfecte plaats om te tanken.