Het race-erfgoed van Jaguar
Racesuccessen doorheen de decennia
In de loop der jaren heeft Jaguar enkele van de snelste en meest herkenbare sportwagens ter wereld gebouwd. Het merk heeft altijd alles in het werk gesteld om het potentieel van die wagens zowel op het circuit als de openbare weg te laten zien.
De XK120 veroorzaakte een schokgolf door het strenge, naoorlogse Groot-Brittannië. Hij was in zijn tijd de snelste productiewagen ter wereld en was door zijn betrouwbaarheid bij uitstek geschikt voor de autosport. De auto schreef drie Alpine Cup-overwinningen en twee RAC Rally-zeges op zijn naam en in de Tourist Trophy van 1950 finishte de XK120 op de eerste, tweede en derde plaats.
-
VOLBLOED RACEWAGENS
William Lyons begreep al snel welke publiciteit een volbloed racewagen kon opleveren voor Jaguar. Dus na een verkennend bezoek aan Le Mans in 1950 gaf hij zijn akkoord om rond de XK120-motor de latere C-Type te ontwikkelen.
Er werden drie C-Types klaargestoomd voor de Le Mans-race in 1951 en de wagen met Peter Walker en Peter Whitehead aan het stuur haalde bij zijn eerste race meteen de zege binnen.
Twee jaar later finishten de C-Types als eerste, tweede en vierde in Le Mans en dat was deels te danken aan hun revolutionaire schijfremmen die in samenwerking met Dunlop werden ontwikkeld. Daarmee wonnen de Jaguar-piloten waardevolle meters doordat ze veel later dan hun rivalen konden remmen op het ruim 5,6 kilometer lange rechte stuk waar snelheden tot 240 km/u werden gehaald. -
DE REEKS OVERWINNINGEN WORDT LANGER
De D-Type, Malcolm Sayers opvolger voor de C-Type, plukte eveneens de vruchten van een technische innovatie die de decennia daarna zou uitgroeien tot de norm. Hij kon namelijk prat gaan op een zelfdragende constructie met een sterke centrale 'kuip' voor de bestuurder terwijl de meeste mechanische onderdelen op subframes vooraan en achteraan waren gemonteerd.
De D-Type was zo gestroomlijnd dat zijn topsnelheid toenam tot ruim 272 km/u en dat hij tijdens een testsessie voor Le Mans 1954 alle records van het jaar ervoor met vijf seconden verbeterde. Toch kon de D-Type pas een jaar later zegevieren op Le Mans. In 1956 volgde nog een overwinning en in 1957 domineerden de D-Types de hele race: ze sleepten de eerste, tweede, derde, vierde en zesde plaats in de wacht.
Bekijk de zegefilm van de D-Type > -
DE MODERNE TIJD
Jaguar zelf trok zich in 1955 terug uit de autosport maar leverde nog wel auto's aan klanten die ermee wilden racen. De eerste van die auto's die een opgemerkt succes oogstte na de D-Type, was de E-Type Series 3, uitgerust met een competitieversie van de V12-motor. Dat was het model waarmee Bob Tullius in 1975 het Amerikaanse Sportwagenkampioenschap op zijn naam schreef. Tullius won ook de Trans-Am-titels in 1977 en 1978, toen aan het stuur van een XJ-S. Een vergelijkbare auto, geprepareerd door TWR Racing en bestuurd door Tom Walkinshaw, won het Europese toerwagenkampioenschap van 1984.
Drie jaar later bewezen Jaguar en TWR een onklopbare tandem te zijn in het Wereldkampioenschap voor sportwagens door acht van de tien races te winnen met een XJR-8. Deze auto evolueerde later tot de XJR-9 met een 7,0-litermotor, die Jaguar in 1988 zijn eerste Le Mans-zege sinds 1957 bezorgde.
Jaguars meest recente Le Mans-overwinning dateert uit 1990, toen de XJR-12 de eerste en tweede plaats in de wacht sleepte. Recenter werd de droom van een zege op het legendarische Franse circuit in de handen van JaguarRSR gegeven. Dat team racet met een aangepaste XKR in de American Le Mans Series en bracht Jaguar in 2010 terug naar Le Mans.
